Naar
HomePage




 


Wim Verhagen schreef in het boekje "Mijn God wat een dorp" iets over slager Rood
en andere Joodse medeburgers. Tekeningen van Anton Pieck.

Als het verdriet komt ...


Een oud jiddisch spreekwoord zegt; ,,Wen komt die ssàar, nemt se allegar”. Als het verdriet komt,
neemt het alles! Het verdriet is gekomen in 1940 en heeft alles genomen. De kleine Joodse gemeenschap,
die ruim anderhalve eeuw in vrede in het dorp had geleefd, werd zo goed als geheel uitgeroeid door
het wrede nazi-monster van net over de grenzen.
De gedachte aan die massamoord zal het neerschrijven van de plezierige herinneringen blijven                        
overschaduwen.



Ze waren allemaal Oud-Beijerlanders
, die, evenals de verschillende christelijke groeperingen,
hun eigen religieus leven leidden.
Orthodoxe en liberale joden vormden hier een gemeenschap.
Op hoogtijdagen kwamen ze gezamenlijk bijeen in hun sjoel aan de Kerkstraat. Op Jom Kippoer
— Grote Verzoendag — was er de ingetogenheid; op Rosh Hashanah wenste men elkaar een goed
en gelukkig nieuwjaar toe en op Simchat Tora was er simche, was er vreugde en at men koegel
met peren.
De herdenking van de uittocht uit Egypte werd op Pesachavond door sommigen hunner met een echte
seder herdacht.
Vrienden ook niet -joden - werden daarbij uitgenodigd om in gedachtenmee terug te
gaan naar de oertijd van het Jodendom in de vorm van het meebeleven van die verschillende
symbolische gebruiken die met het lezen van de Haggada, de sederavond voerden naar een
hoogtepunt van intense vroomheid en oprecht Godsvertrouwen.

De joodse slager Rood, beende, genietend van de superkwaliteit van het vlees, de zelf geslachte
runderen uit. Hij was geestig en ad rem.
Ik riep hem in het voorbijgaan toe: ,,Morgen Rood! “.
Hij beantwoordde de groet onmiddellijk met de eerste regel van het socialistische
strijdlied ,,Morgenrood”: ,,Uw heilig gloeien heeft opnieuw de dag gebracht”.
De veehandelaar kon eindeloos vertellen over de prima koeien die hij had gekocht en verkocht.
Evenals de slager wist hij een goed stuk vlees naar waarde te schatten.
In een Rotterdams restaurant had hij een biefstuk besteld.
Toen de ober het vlees op zijn bord wilde serveren, vroeg hij wat hij voor hem uit de keuken had meegebracht.
,,Biefstuk, mijnheer”.
,,O, is dat biefstuk? Nou, laat je baas hem dan zelf maar opvreten en breng mij dan een biefstuk''.

Hij hield er, wat de joodse religie betreft, liberale opvattingen op na. At niet kosjer, maar
gebruikte onder geen voorwaarde voedsel, dat voor joden als onrein werd beschouwd.
Vasten op Grote Verzoendag deed hij niet.
,Ja”, zei hij eens, ,,vasten doe ik op Jomkippoer we!: Van 12 uur tot na de middag”.

            
                
De sjammasj, in het jiddisch als sjammes, oftewel koster van de synagoge, woonde met twee
zusters in een woning op het terrein van de sjoel.
Hij was een trouw bezoeker van de jaarlijkse
uitvoeringen van de plaatselijke muziekvereniging ,,Harmonie” en van de turnvereniging, waar
hij op het bal met zwier en gratie de kruispolka en een melodieuze Wienerwals meedanste.


Ik hield van de joden. Velen hunner waren mijn vrienden en kennissen. Ik was graag bij hen.
Als er in hun eigen typisch joodse wereld iets gebeurde was ik erbij; bij feestelijke en bij trieste
gebeurtenissen. Als er een lewaje, een begrafenis, was, ging ik mee naar het kerkhofje aan de Ossenbil.
En ik was dan ook helemaal niet verbaasd — hun eigenaardigheden door en door kennende — toen
op zekere dag een begrafenis niet doorging omdat het hoofd van de joodse gemeenschap zich
plotseling, net voordat men de begraafplaats zou betreden, herinnerde, dat hij vergeten was
op het gemeentehuis de vereiste vergunning tot begraven, af te halen.
De bankier, de lompenkoopman, de slager, de veehandelaar, de vrouw die een snoepwinkeltje
had en manufacturen bij de boeren in de polder sleet, de gepensioneerde leraar, de
huidenkoopman en de sjammes realiseerden dat aparte sfeertje in de dorpsgemeenschap,
dat zo sympathiek, eigenlijk zo oer-gezellig, aandeed en overkwam.
Het is allemaal voorbij. ,,Als het verdriet komt, neemt het alles! “.
De herinnering is gebleven. Een herinnering, die een grote dankbaarheid in zich draagt.
Dankbaarheid voor hun vriendschap. Dankbaarheid voor hun solidariteit met de dorpsgemeenschap.
Wij gedenken…………..