Naar
HomePage




 


Synagoge en Gevre

a. Inleiding.
Synagogen ontstonden na de Babylonische ballingschap. De joden zagen hun wegvoering naar
Babel als straf van God. Daarom keerden zij terug tot het onderhouden van de Thora en de
uitlegging daarvan als bron van Gods wil. De bestudering van de Thora vormde voor menige
jood de voornaamste taak van zijn leven. Alle tijd die hij over had, moest hij gebruiken voor de
studie. Daarom heette de synagoge ook wel de sjoel. Het Duitse woord Schule werd verbasterd
tot sjoel, of eigenlijk tot school.
In de synagoge werden de gewijde teksten gelezen en uitgelegd. Ze vormde daarom het
centrum van het joodse godsdienstige leven in elke plaats. Christus ging op een sabbath in
Kapernaum in de synagoge voor. Na het lezen van het gebruikelijke stuk voor die dag uit de Thora,
gaf hij dan de uitlegging: “Heden is deze schrift in uw oren vervuld”, enz.
De synagoge in Oud-Beijerland vervulde eenzelfde taak in het godsdienstige leven van de Joden
in de Hoeksche Waard. Waar tien of meer manlijke leden in een plaats woonden,
kon een aparte bijkerk worden erkend. Oud-Beijerland werd daarom een Ring-Synagoge genoemd.
b. Het gebouw.
Over de stichting van de eerdere synagoge in Oud-Beijerland was in de oude archieven van de burgerlijke
gemeente tot dusver niets te vinden. Het aanwezig zijn van een huisgemeente in een woning op de
Oostdijk kon niet worden aangetoond
.Wel zijn er bewijzen dat er een syngoge stond op de
plaats van de latere synagoge.


In het Rechterlijk Archief van Oud-Beijerland, dat zich in het Algemeen
Rijksarchief in Den Haag bevond en waarin de aankoop van landerijen
en gebouwen werd opge
nomen, is sprake van de koop van een gebouw in 1802.

Rechterlijk Archief Oud-Beijerland nr. 25:
 “Schout en schepenen verklaren, dat op 6 dec. 1802 verschenen Philippus Benedictus,
David Levij, Barag Meijer, Philip Hartog, Simon Levij, Izaak Israël voor de joodse
gemeente te Oud-Beijerland.
Zij verklaarden schuldig te zijn aan Meijer Jacob driehonderd gulden, af te lossen met vijftig gulden
per jaar te beginnen op 1 mei 1803. Als onderpand voor de hypotheek noemen zij een huis en
erf aan de zuidzijde van Oostdijk, belend: oost: de Dorpstrap; west: Joseph Zeevaarder; zuid:
de berm; noord: de dijk.
De onkosten van deze hypotheekstelling zijn 8 stuivers 5 penningen.”
Dit huis, dat ongeveer ter hoogte van de Meestoof lag, was zeer waarschijnlijk ingericht als
synagoge, maar werd later weer verlaten. Uit andere bronnen bleek echter dat er in 1815 of
iets eerder een gebouw gekocht moest zijn. Dit gebouw was niet hetzelfde als dat uit 1802.

In de oudste bewaard gebleven rekeningen uit 1817 was er sprake van een coulante afwikkeling
van de schulden, die men was aangegaan voor de koop van een gebouw.
Wel zijn er bewijzen dat er een synagoge stond op de
plaats van de latere synagoge. Het bewijs wordt geleverd door een artikel in de Arnhemsche Courant,
afkomstig uit de Rotterdamsche Courant, van 11 mei 1816.






 Er was geen sprake van nieuwbouw. Dat zou in de na-Napoleontische tijd een te zware last zijn
geweest. We moeten meer denken aan een gebouw dat als synagoge was ingericht.
 In 1818 en 1819 vonden we op de rekeningen een voor die tijd vrij groot bedrag van zestig
gulden voor onderhoud van dit gebouw. Een bewijs dat het gebouw van veel oudere datum
was. In 1817 bleek men bovendien een bedrag van 238,50 gulden te moeten betalen voor
oude schulden. Men had blijkbaar geld geleend voor de aankoop en verandering van het
gekochte gebouw. Ook in 1818 was er sprake van een bedrag aan onderhoud, 130 gulden.
De kerkelijke lasten liepen in 1819 op tot 224 gulden en bedroegen in 1820 nog 216 gulden.
Deze post was in 1821 geheel verdwenen, zodat we mogen aannemen dat toen de oude
schuld was afgelost.
Graag hadden we iets meer over de stichting van deze oude synagoge vermeld, maar
het oude joodse kerkarchief werd vernietigd. Deze oude gegevens kwamen uit de
correspondentie met de landelijke Hoofdcommissie.

Begin 1843 werden plannen gemaakt voor een nieuwe synagoge.
Van de aanbesteding van een nieuwe synagoge is er een krantenartikel verschenen
in de Rotterdamsche Courant dd. 11 maart 1843. Zie hieronder.






In 1843 werd de oude synagoge afgebroken en er kwam een nieuw gebouw op dezelfde
plaats te staan. Het werd door de Opperrabbijn later als “fraai” aangeduid.



Synagoge 5603/1843
De eerste steen van bet gebouw is gelegd door
Meijer de Vries, op 1 mei 5603
Boven de ingang stond: Psalm 84 vers 2
“Hoe lieflijk  zijn Uw woningen, o
Heere der Heerscharen”

De joodse gemeenschap kon niet alles bekostigen, ondanks de verhoogde kerkelijke bijdragen.
Men wendde zich eerst tot Zijne Majesteit de Koning, die een persoonlijke bijdrage gaf van
150 gulden. Uit de rijkskas kreeg men daarna nog driemaal een bijdrage van 250 gulden.
De provincie schonk op 25 juni 1844 een subsidie ineens van 1.200 gulden.
De aanneemsom van de nieuwbouw was 3450 gulden. Aannemers waren Dirk Kool
en Cornelis van E
kelenburg.

De eerste steen werd gelegd door Meyer de Vries met daarop de namen van de
bestuurleden. Deze steen is bewaard gebleven en is te bezichtigen in het museum
"Het Oude Raadhuis".     



Voor de ingebruikname had men een groot feest voorbereid. Jammer genoeg bleef de
belangstelling van vele geloofsgenoten uit andere plaatsen beneden de verwachting.
Men had gehoopt op een goede collecte ter gelegenheid van de inwijding.
Uit een rekening blijkt dat men zich wel had ingespannen:
De Opperrabbijn uit Rotterdam was geweest en had de synagoge ingewijd.



Alle kosten bij elkaar waren dus 3540 gulden plus 795,12 gulden plus 312,50 gulden,
maakt samen 4.647,62 gulden. Het bleek dat de gemeente reeds in kas had
1.076 gulden en dat aan subsidies 2.100 gulden was ontvangen, in totaal dus
3.176 gulden, zodat men zelf nog moest opbrengen 4.647,62 gulden minus 3.176, is
1.471,62 gulden.





  


De foto toont de muur aan de Nobelstraat en de achterzijde van de synagoge.

De schulddelging verliep ondanks de verhoogde bijdrage niet geheel naar wens.
Men besloot daarom renteloze aandelen te plaatsen, elk groot 25 gulden en deze
aandelen in vijf jaren af te lossen.
Ouderling S. v.d. Berg was het daarmee niet eens en weigerde de begroting te tekenen.
De Opperrabbijn trachtte wel de zaak op gemoedelijke wijze in het reine te brengen,
maar in 1853 moest hij het advies geven de rekening zonder de handtekening van de
ouderling in te zenden.
In 1872 werd aan de zijde van de Achter- of Nobelstraat een stenen muur als
afscheiding gezet, daar de burgerlijke gemeente de sloot aan de Nobelstraat
liet dempen.