Home
   Page
 

De joodse spijswetten

Zoals menigeen weet is het een gegeven dat een jood alleen vlees mocht eten dat
"kosjer"geslacht was. Dat betekende dat de Sjochet of kerkelijk slachter het dier
zonder verdoving moest slachten, zodat het bloed geheel uit het geslachte
dier wegliep. Niet iedereen mocht als Sjochet optreden. Alleen zij, die hiervoor
een kerkelijk examen hadden gedaan, kwamen in aanmerking.
Geen jood zou vlees eten dat niet door zo'n persoon geslacht was.
Het was dan niet "kascher"of 'kosjer", maar "treife"(verboden voedsel).

Het slachten gebeurde met een lang mes, waarbij in één snede de hals van 
het dier doorgesneden kon worden. Volgens de joodse spijswetten mochten alleen 
reine dieren gegeten worden. (zie Leviticus en Deuteronomium).

De Sjochet mocht voor zijn diensten een vast bedrag eisen.
Dit was in 1863:

- voor ieder beest boven het jaar 50 cent
- voor een kalf                            30 cent
- voor een schaap                        20 cent
- voor een geit                            15 cent
- voor een kalkoen                       10 cent
- voor een gans                            10 cent
- voor een eend of kip                   5 cent
- voor een duif of gevogelte     2-1/2 cent

In de kerkelijke bepalingen over de Sjochet stond, dat als hij tevens onderwijzer
was, hij onder schooltijd niet geroepen mocht worden om te slachten. Het
onderwijs had voorrang.

In Oud-Beijerland troffen we veel slagers aan. Sommigen waren alleen venters,
ze slachten zelf niet. Vaak gingen ze boeren af met hun vleeswaar. Dat was natuurlijk
niet kosjer geslacht en worden verkocht aan niet-Israëlieten.

In verband met het slachten van veen en de verdere verwerking willen we er op wijzen
dat Oud-Beijerland ook een leerlooier kenden. Blijkbaar was het beroep niet 
voldoende rendabel, want later lezen we alleen van een huidenzouter. Hij haalde
overal de huiden op, zoutte ze in om bedref te voorkomen en verhandelde deze dan
verder. Men vertelde ons nog, dat één van deze handelaars op zijn hondenkar
onderweg steeds zong.



Ook was er een kaarsenmakerij waarin het vet verwerkt werd tot kaarsen. Ook
dit bleek geen lucratief beroep zodat deze industrie uit Oud-Beijerland 
verdween. Voor kerkelijke doeleinden was deze kaarsenfabricage niet geschikt.
In de synagoge brandde men waskaarsen. Kaarsvet kon blijkbaar beter in de
grote stad worden afgezet dan op een dorp. Ook de opkomst van petroleum voor
de verlichting zal deze industrie geen goed hebben gedaan.

In het huisgezin golden vele spijswetten. Bij de opvoeding der meisjes werd hun
dit goed geleerd. Elk joods gezin had twee soorten serviezen. Het ene werd 
gebruikt voor de vleesspijzen, het andere voor de melkspijzen. Tijdens een maaltijd 
zouden beide niet tegelijk op tafel komen. Het eten van een maaltijd, waarin
vlees was gebruikt, en pap of andere melkspijzen achteraan, was in een
joods gezin niet mogelijk. Het was , het één of het ander.

       
Ook het afwassen gebeurde apart. Op het aanrecht had men een "vlees"- en
een "melk"kant. Niemand zou zich in deze ook maar in het minste vergissen.
Beide soorten serviezen werden apart opgeborgen. 

Het gebruik van Paasbrood of matzes was ook in Oud-Beijerland een
vast gewoonte. Deze matzes werd geleverd door een aparte bakkerij
in Amsterdam.