Naar
HomePage


 


HET GODSDIENSTIG BAD

In 1835 werd het kerkelijk bad gebouwd door Aart Pijl. Dit bad maakte deel uit van het
Gevre-gebouw. Voor die tijd was het ten huize van de koster.
Als we ons afvragen, of de joden zoveel zindelijker waren dan de doorsnee Nederlander,
moeten we verwijzen naar de bepalingen over de reiniging in Leviticus en Deuteronomium.
In deze boeken vinden we de instelling van deze wetten door God voor Zijn afgezonderd volk.

  

Wie naar het godsdienstig bad ging, had zich thuis eerst goed gewassen. Het godsdienstig
bad was niet bestemd voor de lichamelijke reiniging, maar voor de geestelijke. Alleen door
de totale onderdompeling, zodat geen puntje van het lichaam boven water bleef, was men
geheel rein. Bij de vrouwen zag de badvrouw er op toe, dat men zich geheel onderdompelde.
Bij de mannen was dit de taak van de voorganger.

Het badgebouw moest ook van binnen goed schoon zijn. Daar moest ook de grootste
zindelijkheid heersen, als voorbeeld voor de geestelijke reinheid. Daarom stelde men een
aparte badvrouw aan. Zo mogelijk was dit dezelfde als de kerkschoonmaakster.
Deze badvrouw moest tegen een vergoeding van een gulden een warm bad maken.
Wie een koud bad gebruikte, betaalde 30 cent. Onvermogenden betaalden voor een koud
bad niets, voor een warm bad slechts 60 cent. Alle stookkosten en andere kosten moest
de badvrouw uit deze inkomsten halen. Wat er overbleef was voor haar.

Op Nieuwjaarsdag en Grote Verzoendag moest het bad enige uren achtereen van twaalf
tot drie uur gebruikt kunnen worden, zowel door mannen als door vrouwen. Op andere
dagen moest men het gebruik van het bad ten minste zes uur van te voren aanvragen.
Wilden mannen en vrouwen op dezelfde tijd het bad gebruiken, dan ging de aanvraag
van de vrouw voor die van de man.


De locatie van het ritueelbad is in de onderstaande tekening te zien: