Naar
HomePage

  



 

Uit het kerkelijk magazine "De Invalshoek" april 2008.
Interviewer: Marlijn Stoter.
____________________________________________________________________________

Oogetuige Arie Duifhuizen

Arie was 19 jaar toen de oorlog uitbrak. Hij was in die tijd al enige jaren bevriend met Elias Rood,
zoon van runderslager Rood. De slagerij was gevestigd aan de Molendijk, waar nu vishandel
"Jan Kant" is gevestigd.
Elias woonde samen met zijn ouders en zus, Vrouwtje Sara, in de volksmond Froukje genoemd,
achter de winkel. Het gezin was niet orthodox Joods, er wer wel iets gedaan aan de Joodse
feestdagen en de sabbat, maar niet strikt. Elias was een vrolijke. opgeruimde jongen, een
echte grapjeas. Arie heeft een aantal foto's van hem. Een lachende jongen met zwart krulhaar en
een sigaret in zijn mond. Hij straalt een jongensachtige bravoure uit, vol levenslust.

Samen met een andere vriend, Cees Leeuwenhoek, kwam het drietal op zaterdag en zondag
bij elkaar. Zij gingen dan "dijken", op de Molendijk heen en weer lopen, kochten olienootjes,
bekeken meisjes en staken een sigaretje op. Roken werd in die tijd nog niet in verband
gebracht met de gezondheid. Wanneer er iemand achter hen liep zei Elias: "Stront achter de koeien"
en als er iemand voor hen liep zei hij: "Vuil voor de veger".
Als Elias op vrijdagavond Jupiter aan de hemel zag staan, was dit voor hem het teken dat de
sabbat begon. Ze kwamen ook bij elkaar thuis, legden een kaartje of speelden "mens
erger je niet".

In 1939 kwam een Oostenrijkse Jood bij de familie Rood op bezoek, deze was op doortocht
naar Amerika. Oostenrijk was toen al door de Duitsers bezet. Blijkbaar zag hij in wat de
Joden in Europa mogelijk te wachten stond. Vader Rood spoorde Elias aan om met deze
Oostenrijkse Jood mee te reizen naar Amerika. Elias sloeg het aanbod af. Hij dacht, zoals
velen, dat het allemaal niet zo'n vaart zou lopen en bleef liever thuis.
In 1940 moesten alle Joden in Oud-Beijerland zich melden bij het gemeentehuis,en kregen
daar in hun persoonsbewijs een stempel met "Jood" erin.
In 1941 kregen zij de gele Jodenster, die op hun kleding genaaid moest worden.
Hiermee mochten ze niet meer in openbare gelegeheden zoals caf
é's, openbaar
vervoer en bibliotheek komen.



Aangezien de Joodse gemeenschap volledig opgenomen was in het Beijerlandse leven, vraag ik
Arie of de niet-Joodse Beijerlanders hiertegen in opstand kwamen. "Niet in het openbaar,
maar misschien wel innerlijk" zegt Arie. "Het was oorlog, dan was er hier een bombardement,

dan daar. Men was druk met overleven en eigen zorgen. Bovendien begreep men niet echt wat er aan
de hand was".
Langzamerhand werd de druk op de Joden steeds groter met als dieptepunt de landelijke oproep om zich
te melden voor de arbeidsverruiming.


De eerste groep Joodse Beijerlanders moest zich op 11 augustus 1942 melden in Rotterdam.
Ik vraag aan Arie waarom de Joden zo gehoorzaam waren aan deze oproep. Arie zegt niets, staat op en laat
mij een pagina zien uit "Het Joodsche Weekblad". Daarnaast kregen zij deze oproep ook nog thuis
per post. De Duitsers hadden een efficiënt registratie systeem opgebouwd.




11 augustus 1942

De familie Rood en een dochter van de familie Boers waren de eersten in Oud-Beijerland die een oproep
kregen. Het was psychologisch heel doordacht in elkaar gezet door de Duitsers. Bij hun oproep zat een lijst met
mee te nemen bagage; koffer of rugzak, werklzaarzen, sokken, onderbroeken, hemden, werkpak, dkens,
beddengoed, eetnap, drinkbeker, lepel, pulover, handdoek en toiletartikelen, daarnaast marsproviand voor
drie dagen. Wie verwacht bij het lezen van deze lijst, dat je lot de gaskamer is?
Het bericht van de oproep had zich snel door Oud-Beijerland verspreid. De Molendijk was volgestroomd
met mensen, enerzijds om afscheid te nemen, anderzijds uit nieuwsgierigheid. Er heerste een vreemde
melancholieke stemming, men wist dat er "iets" was, maar wist niet wat er werkelijk gaande was.
Welk lot stond deze dorpsbewoners te wachten?
Uit piëteit stopt de tram, die hen naar Rotterdam bracht, niet bij "halte Marktplein", maar een
eindje verderop voor de deur van slager Rood. Elias stapte in met vader, moeder en zusje.



Ik krijg een foto te zien van slager Rood, die net op de tram is gestapt. Hij staat te lachen.
Hij schijnt op dat moment gezegd te hebben "Ik ben zo terug". Arie stapte ook op de tram, hij
wilde zijn vriend Elias niet alleen laten gaan. Ze zeiden onderweg niet veel, de angst voor het
onbekende verstikte de anders zo levendige conversatie. Elias was stil en onzeker.
De tram stopte in Rotterdam bij het Stieltjesplein. De vrienden schudden elkaar de hand en
dat was het. Ook hier geen of weinig woorden. De Joden werden verzameld in loods 24.
Overal liepen bewapende Duitsers. Arie nam de tram terug naar Oud-Beijerland.

De rest van de oorlogsdagen vulde Arie met werk bij de ondergrondse. Tijdens de oorlog lekten
er berichten uit over de vernietigingskampen. Hierdoor hebben enkele Joden in Oud-Beijerland
geen gehoor gegeven aan de oproep en zijn ondergedoken. Tijdens de oorlog waren er geruchten
van omgekomenen, maar na de oorlog wist je dit pas zeker.