Home
   Page
 

Onderwijs

Over het onderwijs op de Godsdienstige Israëlitische school kwamen we iets te weten uit een paar
rapporten van de Israëlitische Schoolinspecteur S.J. Mulder uit Amsterdam, die de school enkele
malen bezocht. Veel bezoeken kon hij niet afleggen - de afstand en het krappe reisgeld maakten
dat onmogelijk. Hij reisde heel Nederland af en het was dus geen wonder dat hij pas na drie jaar
in Oud-Beijerland terug kwam en toen de verschillen in het onderwijs duidelijk zag.

Het eerste rapport dateert van 1840. Hierin schrijft hij dat hij door een commissie uit het schoolbestuur
in Rotterdam werd afgehaald, nadat hij zijn komst had aangekondigd.
De school in deze toestand bestond toen pas vier jaar.
We konden niet nagaan of de vorige school alleen een godsdienstige school was, of dat er nu sinds
vier jaar ook maatschappelijk onderwijs werd gegeven om de nodige subsidie te ontvangen.
Het schoollokaal was van de Gevre Eits Gajiem, dat het lokaal .gratis ter beschikking stelde.

In zijn eerste rapport uit 1840 is de Inspecteur in het algemeen tevreden.
De onderwijzer Levi Wanefried was student geweest op het Israëlitisch Seminarie in Amsterdam en
haalde daar op22 september 1834 de tweede rang.
Ook over het aantal leerlingen, 15 jongens en 16 meisjes, was hij tevreden. Oud-Beijerland telde in
die tijd 3500 zielen, onder wie 165 joden. Dat een/ vijfde van hen de school bezocht achtte hij een
zeer gunstige omstandigheid. In grotere plaatsen was het percentage veel lager.
Soms maar zes of zeven procent.
Dat hield natuurlijk verband met de leeftijdsopbouw; in de grotere plaatsen waren meer ouderen.
Het schoollokaal, dat tevens als leeskamer van het pieus gezelschap diende, maar daarvoor
zelden werd gebruikt, vond hij tamelijk voldoende. Wel moesten de tafels en stoelen wat beter
worden gerangschikt. De lichtinval vond hij echter slecht. De Manhigim (kerkbestuur) kon echter
geen verbetering bekostigen, omdat de inkomsten te laag waren. Men hoopte op de hulp van het
gouvernement.

Tijdens zijn bezoek had de Inspecteur een examen afgenomen
ten overstaan van de Manhigim en in tegenwoordigheid van de ouders.
Dat examen bestond - wat het godsdienstig onderwijs
betrof, dat dagelijks van zeven tot twaalf uur ‘s morgens werd gegeven -
uit spellen voor de laagste klas; lezen en vertalen der gebeden voor
de middelste klas en voor de hoogste klas het vertalen van de Pentateuch,
de dagelijkse gebeden, de ritualia en de bijbelse geschiedenis;
en wat het maatschappelijk onderwijs betrof, dat van twee tot zes uur
‘s middags werd gegeven, uit spellen voor de laagste kias; lezen,
schrijven en cijferen voor de middelste klas en voor de hoogste klas
Nederlandse taal, schrijven, lezen en de beginselen van de vaderlandse
geschiedenis. In de winter was er een avondschool. Die was er in
de zomer met, dus daarover vinden we geen rapport.

Hoewel het niveau van het onderwijs na vier jaar nog niet zo hoog was, was het in het algemeen voldoende.
De ouders waren ook zeer tevreden.
Uit het rapport bleek ook, dat van de 31 leerlingen er 24 schoolgeld betaalden en 7 niet, omdat de
ouders te arm waren. Na afloop van het examen was er een bespreking met de Manhigim,
waarbij enkele verbeteringen werden voorgesteld.
Een tweede bezoek was drie jaar later, in juli 1843. Het rapport was veel minder opgewekt dan het eerste.
Er stond onder meer in dat in mei 1842 de heer Wanefried naar Dordrecht was verhuisd en was
opgevolgd door Meijer M. Roest, kwekeling van het Amsterdamse Seminarie.
Deze bezat als godsdienstonderwijzer bet diploma van de middelste rang en als maatschappelijk
onderwijzer dat van de derde rang. Deze Meijer M. Roest werd later wetenschappelijk medewerker
en de man van de bibliotheek Rosenthalia in Amsterdam. Omdat het onderwijs er onder leiding van
meester Roest niet op vooruit ging, was door de plaatselijke schooltoezichthouder J. van Koppels
een tweede onderwijzer benoemd. De keus was uit een voldoende aantal kandidaten gevallen op
de heer G. Schot. Deze onderwijzer was 40 jaar en had het diploma van de derde rang, dat hij in
1839 had behaald. Bij bet bezoek van de inspecteur was hij nog maar twee maanden in functie.
De toestand van het schoollokaal was niet verbeterd. De Inspecteur vond dat waar men nu een fraaie
synagoge had, het wenselijk was dat men meer aandacht zou besteden aan de school.
Het aantal leerlingen was 29, verdeeld in 17 jongens en 12 meisjes.
Op de 145 joodse inwoners vond hij dat een zeer goede verhouding.
De godsdienstlessen werden nu gegeven van negen tot een uur ‘s morgens en de maatschappelijke
van twee tot zes uur ‘s middags.
Het godsdienstig onderwijs mocht dan wat beter zijn dan het maatschappelijke, de Inspecteur
vond het geheel erg onvoldoende. De achteruitgang van bet onderwijs weet de Inspecteur aan
de mindere werkzaamheid van de onderwijzers.
Ook nu was er na het examen een vergadering, waarbij de Inspecteur wees op de zaken die
verbetering behoefden.

Na enige tijd scheen het onderwijs wat verbeterd te zijn. Het aantal kinderen nam iets toe.
Omdat bet moeilijk werd beide onderwijzers te betalen, werd een regeling getroffen waarbij de
godsdienstonderwijzer alleen spijs en drank zou genieten. De beer Schot ontving negen gulden per week.
Hoewel de school eerst 50 gulden en later 70 gulden per jaar subsidie kreeg van bet rijk en eenzelfde
bedrag van de kerkelijke gemeente, was bet schoolgeld voor menigeen hoog. Het steeg in drie jaar
tijd van 16 tot 19 gulderi per leerIng. Toch stond in dit rapport dat er in die dagen geen joodse leeringen
waren op de openbare school. Dat gebeurde pas toen de heer Leers zich in Oud-Beijerland yestigde.



Het was voor menig ouder een hele opoffering de kinderen
onderwijs te laten geven.
Het schoolgeld van 32,5 cent per week lijkt wel laag, maar
het betekende toch 18 gulden per jaar. Bij bet nagaan van de
namen van de kinderen, bleken er twee gezmnnen te zijn met
5 en 6 schoolgaande kinderen. Dat betekende dus zo'n 100
gulden schoolgeld per jaar.
Hoewel deze mensen tot de boogst aangeslagenen behoorden, die voor de synagoge per jaar
45 gulden bijdroegen, moeten ze heel wat hebben verdiend om enkele jaren achtereen 150 gulden
te kunnen betalen voor kerk en school. Een van hen stond te boek als textielhandelaar.
Hij verdiende dus heel wat als lapjeskoopman. Toch bleef het een hele uitgave in een tijd,
waarin elke halve cent dubbel omgekeerd moest worden.
We stonden in 1843 aan het begin van een tijdperk van een algemene grote armoede, omdat jaren
achtereen de aardappeloogst mislukte door het optreden van de aardappelziekte.

In het rapport van de Inspecteur stond, dat enkele meisjes ‘s avonds naar een breischool gingen.
De jongens volgden geen ander onderwijs en gingen naar de avondschool, waar alleen
godsdienstonderwijs werd gegeven.
De oudste leerling was 13 jaar. Dit kwam overeen met de leeftijd waarop een jongen
Barmitswa werd en dan zijn kennis van de Pentateuch etc. voleindigd had. De Inspecteur vermeldde,
dat er in de hoogste klas vijf zeer goede leerlingen waren.
Een van hen deed later zelfs examen voor godsdienstonderwijzer.