Home
   Page
 

De Lommerd

(Uit Vervlogen Dagen van K.Siderius uitgegeven door N.V. v/h Fa W.Hoogwerf Azn 1967)

De lommerd is altijd een instelling geweest, die zich op de achtergrond
hield, zijn bedrijf in stilte uitoefende. Wie er zijn povere bezitting naar
toebracht, omdat hij in grote geldverlegenheid verkeerde, wilde het in de regel
voor een ander niet weten.
Kledingstukken, gouden en zilveren ringen, horloges, paraplu's, naaimachines,
kortom alles wat tilbaar was en enige waarde vertegenwoordigde, werd in pand
gegeven om voor een week, veertien dagen of langer uit-de-brand te wezen.
Dan werd het pand weer ingelost tegen bijbetaling van een zeker percentage
rente in de week. Wat na een jaar en zes weken niet teruggehaald was, werd
verkocht. Zulk een verkoping werd tweemaal per jaar gehouden. Wat naar de
mening van de pandhuishouder niet genoeg geld opbracht, bleef liggen tot een
volgende verkoping of werd ondershands verkocht.



Op het huis staat PARTBANK van LEENING (rond 1900)

Eerst was de lommerd gevestigd aan de West-Voorstraat 8, later aan de Oostdijk.

Op 21 maart 1806 verzocht Baruch Meijer, koopman en wonende alhier, aan
het gemeentebestuur een Bank van Lening te vestigen, zoals die kort tevoren ook te
Heenvliet en 's Gravendeel opgericht waren.

De houder van de Bank van Lening was natuurlijk aan een reglement gebonden.
Volgens dat van 1819 mocht hij van iedere daalder tot beneden de 100 gulden
per week 5/8 cent rente rekenen, dat is ongeveer 20% per jaar van iedere
daalder, boven dat bedrag 5/16 cent, dat is ongeveer 10% per jaar en binnen
de 14 maanden mocht een pand niet publiek verkocht worden.

In Nieuw-Beijerland had het dorpsbestuur zonder hogere goedkeuring een
Bank van Lening opgericht, waar die te Oud-Beijerland schade van ondervond
en waar tegen schout en gemeenteraad dus hun bezwaar indienden.

Op 6 februari 1840 hield Levie van den Berg een publieke verkoping van verstane
panden: een ketel ging voor 1,20 gulden, een lap Amersfort 1,20 gulden, een
blauw katoenen kleedje 50 cent, een linnen kussensloop 30 cent, een paarse
rok 70 cent, een kinderdeken 50 cent, een beddelaken 40 cent, een
lakense broek 1,90 gulden, een zwarte rok 2,40 gulden, een zilveren doosje
1,00 gulden, een zilveren horloge 2,70 gulden, een paar gouden krullen
16,50 gulden enz. In totaal 146,50 gulden.

Pandhuis in Den Haag door Vincent van Gogh.

In 1859 kocht Korstiaan Schipper bij zo'n gelegenheid een wollen hemd voor
65 cent. Pieter de Zwart een witte hemdrok voor 50 cent, Jan Sluijmer twee
tafellakens voor 20 cent, Jan Schipper een kantoenen jak voor 29 cent,
Cornelis Meinster een schoudermantel voor 60 cent.

Kledingstukken werden op 75%, gouden en zilveren voorwerken op 80%
van de geschatte waarde beleend.

In 1818 pachtten Levie van den Berg en Mozes Goudsmit het recht om de
Bank van Lening te houden voor de tijd van zes jaar voor 110,- gulden per jaar.
In 1862 werd Levie van de Berg pachter voor 100,- gulden per jaar. Jacob
Koopman en Salomon Koopman waren zijn borgen. Dat was blijkbaar te veel.
In 1886 besloot de gemeenteraad, dat het contract nog voor een jaar
gecontinueerd zou worden. Die termijn is later blijkbaar verlengd, want in
1888 zag Jacob Koopman van de verdere pacht af en werd Leendert van den
Berg zijn opvolger tegen 65,- gulden per jaar. En als bijzonderheid wordt er bij
vermeld, dat diens grootvader ruim 50 jaar pachter is geweest.
De laatste pachter van de Bank van Lening was Nathan van den Berg aan de Oostdijk.
Op 1893 werd de bank opgeheven.

Uit die tijd van armoede en drankmisbruik dagtekent ook nog het rijmpje:
De drinker gaat naar 't pandjeshuis,
De tappers worden dik en vet,
De drinkers worden mager;
De tapper naar de slager.