Naar
HomePage



 

Interieur

Algemeen

Net als in elke synagoge in deze streken was in Oud-Beijerland de Heilige Boekenkast,
ook wel Heilige Arke of Ark des Verbonds genaamd, tegen de oostmuur (dat is de richting
van Jeruzalem) aangebracht. In Oud-Beijerland en ook in vele andere gemeenten noemde
men deze kast het Heigel (afgeleid van het Hebreeuwse Heichal,
dat tempel betekent).
In deze kast werden de Thorarollen (ook Sifré Thora, meervoud van Sefer Thora, genoemd)
bewaard.



Voor de Heilige Arke bevond zich een voorhangsel.
De zorg voor het ophangen van dit voorhangsel,
evenals trouwens voor het neerleggen,
schoon- en heelhouden van alle kleedjes die op
bepaalde Sabbathdagen of feestdagen werden gebruikt,
berustte bij de koster.
In het midden van de synagoge was een verhoogd platform,
de Bima, waarop een lessenaar stond om de Thorarollen
op te leggen wanneer daaruit werd gelezen.
Tussen de Bima en de Heilige Arke bevond zich een lessenaar waaraan de voorganger
stond tijdens bet gebed. De zitplaatsen voor de mannen bevonden zich aan de zijkanten
van de synagoge en achter de Bima.
Die voor de vrouwen waren op een galerij achterin de synagoge,
afgescheiden van de zitplaatsen van de mannen, zoals dat in synagogen gebruikelijk was.

De Thorarollen

Thora betekent eigenlijk “leer”; hij bestaat uit de Vijf Boeken van Mozes,
ofwel de Pentateuch.
Thorarollen bestaan uit opgerold perkament, waarop de Thora met de hand
is geschreven. Aan beide uiteinden van elke Thorarol was een houten staaf met
een mooi bewerkte punt van fijn hout of van zilver aangebracht.



Boven op de staven stonden siertorens of een kroon, eveneens van zilver.
Om de rol was een dunne langwerpige doek (mappa) gewikkeld, zodat men het
perkament niet met de hand kon aanraken. Het geheel was gewikkeld in een
manteltje, versierd met een brede band of wimpel. Daarover lag een zilveren
ketting met een plaatje, waarop de woorden Kether Thora (Kroon der Wet),
Kodesh Lejaweh (den Heere geheiligd) of dergelijke waren gegraveerd.
Naast deze plaat hing een handje (Jad) waarmee diegene die uit de Thora
voorlas (meestal de Voorganger) woord voor woord de tekst aanwees.



Aanraken met de handen was
verboden.
In art. 20 van het Huishoudelijk
Reglement stond het uitdrukkelijke
voorschrift voor de koster dat er
een kan met water gereed moest
staan om de handen te wassen,
eer men er toe overging de
Wetsrol voor de dag te halen.
Een door ouderdom of beschadiging
onbruikbaar geworden rol mocht
niet worden vernietigd, maar
moest worden bewaard. Daarom bevatte de Ark veel rollen.
Zoals in elke gemeente van enige omvang had men ook in Oud-Beijerland meer
dan één voor gebruik geschikte Thorarol, wat bij voorbeeld blijkt uit art.
83 van het Huishoudelijk Reglement. Hierin stond dat een Seifer Thora alleen
met goedkeuring van het dagelijks bestuur van de synagoge kon worden uitgeleend.
Het bezit van een fraai versierd Seifer Thora getuigde van rijkdom van de gever.
In 1838 gaf Meijer, zoon van Samuel de Vries, een nieuwe Thorarol. Ter
gelegenheid hiervan maakte Opperrabbijn Menachem Löwenstam een inwijdingslied.


De dienst in de synagoge

De joodse godsdienst kent drie bidstonden per dag; het avond-, ochtend- en
middaggebed, die bij voldoende deelname (minjan, d.w.z. ten minste 10 mannen boven
13 jaar) in de synagoge kunnen worden gehouden.
In kleine gemeenten, zoals Oud-Beijerland, vonden de synagogediensten alleen
plaats op vrijdagavond (wanneer de Sabbath begint), zaterdagochtend, zaterdagmiddag
en zaterdagavond bij bet eindigen van de Sabbath.
Het voornaamste doel van alle diensten is het zeggen van het “achttien gebed”
(Sjemoneh Esré), een verzameling van 18 lofzeggingen.
Op Sabbath en feestdagen worden de middelste 12 lofzeggingen vervangen door
een kleiner aantal en worden andere gebeden ingelast.
‘s Morgens en ‘s avonds wordt bovendien het Sjema, luidende “Hoor Israel, de
Eeuwige onze God, de Eeuwige is enig”, gezegd. Het geheel wordt omkleed met
het zeggen van andere gedeelten uit de Bijbel, zoals psalmen en gebeden die
in de na-bijbelse tijd zijn ontstaan.

Op Sabbathmorgen wordt uit de Thora
de afdeling van de week gelezen, waarbij
men in een jaar de gehele Thora uitleest
en weer opnieuw begint. Bij de lezing werden
de gemeenteleden bij toerbeurt opgeroepen
en nadat zij de lofzegging over het ontvangen van de Thora hadden uitgesproken,
werd de lezing zelf door de Voorganger uitgevoerd.

Het was mogelijk dat iemand een herinneringsgebed (Kaddisch) uitsprak op de
verjaardag van het overlijden van zijn ouders. Aan dit Kaddisch zeggen werden
bepaalde eisen gesteld. Men moest zich hiervoor tijdig bij de koster melden, opdat
men op de voorafgaande Sabbath kon worden opgeroepen. Het Kaddisch zeggen
zelf moest op de verjaardag van het overlijden van de ouder gebeuren.
Ook verder golden voor het oproepen zekere regels. Bij voorrang was dit het
recht van de bruidegom of zijn vader op de Sabbath voorafgaande aan de
kerkelijke inzegening. In art. 75 van het Huishoudelijk Reglement werd de
volgorde van hen die recht hadden opgeroepen te worden, geregeld.

Zitplaatsen


De zitplaatsen werden een maal per jaar bij opbod verhuurd. Niemand mocht
meer plaatsen huren dan er gezinsleden waren boven de 14 jaar.
Ook de vrouwenzitplaatsen op de galerij werden apart verhuurd.

De orde in de synagoge

Men zegt wel eens, als er in een vergadering wanorde heerst, dat het “wel
een jodenkerk leek”.
Vermoedelijk is deze uitdrukking ontstaan, doordat buitenstaanders de
gang van zaken in het Hebreeuws niet konden volgen en zij te weinig van
de gang van zaken tijdens de dienst af wisten. We moeten er echter aan denken,
dat de synagoge van oudsher een andere plaats innam dan de kerken van
andere geloofsgemeenschappen

De synagoge was de plaats van ontmoeting. Daar zag men elkaar en daar
werden allerlei zaken met elkaar besproken. Niet alleen godsdienstige,
maar ook wereldse. Voor buitenstaanders leek het dan wel een hele warboel,
maar voor de Joden was het de gewoonste zaak van de wereld.
Het hoorde bij de ontmoeting.

Een heel belangrijke bepaling was bij voorbeeld om behoorlijk gekleed
in de synagoge te verschijnen. Niet met een pet of muts, maar met een hoed.
Oud-Beijerland had niet voor niets een pettenmaker voor de algemene
volksdracht. Maar deze dracht gold niet voor hen, die ter synagoge gingen.
Die dienden zich te vertonen met de hoge zijden of anders met een slappe
zwarte hoed. Verder diende men zich rustig naar zijn plaats te begeven;
niet naar elkaar te trappen of onverwachts een been uit te steken zodat
een ander zou vallen en zo “zijn gezicht” verloor.
Elke minachting voor elkaar moest achterwege blijven. Spuwen was verboden.
Daaruit sprak immers de grootste minachting voor de ander. Een synagoge
was een “huis des Gebeds”. Ook het met de Voorzanger meespreken werd
beschouwd als ordeverstoring. Daarom mochten kinderen beneden de vier
jaar niet mee. Zij verstoorden immers zo gemakkelijk de orde.
Dat de bepalingen van orde er niet voor niets waren, blijkt wel uit de later
opgenomen wijzigingen van het Huishoudelijk Reglement op het punt van orde.

Verwikkelingen

Begin 1857 bedankte M. de Vries als Manhigim-voorzitter (de Manhigim
vormden het bestuur van de synagoge). Enkele personen onder leiding van
L. v.d. Berg wilden hem niet meer als voorzitter erkennen. De Vries had jaar
in, jaar uit het ambt bekleed. Men had hem juist gekozen, omdat hij zoveel
voor kerk en school over had. In dit jaar wilde men echter eens een ander
hebben. De Vries werd als te behoudend beschouwd. Elke kleine verandering
hield hij zo lang mogelijk tegen. Alles moest bij het oude blijven. Een poging
om een zangkoortje op te richten dat eigen joodse liederen zou kunnen zingen,
kon geen genade vinden in zijn ogen. De tegenstand tegen zijn herbenoeming
openbaarde zich door de afscheiding van L. v.d. Berg en zijn vier zonen met
hun gezinnen.
De Vries beklaagde zich hierover bij de Israëlitische Hoofdcommissie.
Deze liet een onderzoek instellen. Na veel besprekingen tussen kerkbestuur
en L. v.d. Berg c.s., werden de geschillen uit de weg geruimd. Van den Berg en
P. Goudsmit werden als notabelen benoemd. De alleen-heerschappij
van M. de Vries was gebroken.

Op 9 augustus 1863 zond het kerkbestuur van de Ring-Synagoge van OudBeijerland
een bericht aan het Israëlitisch Hoofdbestuur waaruit bleek, dat na een stemming
in het bestuur waren gekozen:
S. Goudsmit, voorzitter; H. Kooiman, penningmeester; S. v.d. Berg Lzn; S.M. Cohen;
S. Boers.

Ook op het financiële vlak waren er tegenstellingen geweest. Welke dat waren,
komt uit de briefwisseling hierover niet naar voren. Wel blijkt dat de uitgetredenen
voor dat jaar slechts de helft van de normale bijdrage behoefden te betalen. Ze
waren immers in die tijd geen lid geweest. Hoewel men alles deed om de synagoge
tot bloei te brengen, lukte dat niet. Verscheidene kerkleden verhuisden in die tijd
naar andere plaatsen en dat bracht een flinke vermindering van de draagkracht
van de synagoge met zich mee.

Op 26 oktober 1863 werd een brief geschreven aan het Israëlitisch Hoofdbestuur
waaruit deze vermindering van draagkracht bleek.
"De Kerkeraad van de Israëlitische Ring-Synagoge te Oud-Beijerland hebben
bij het onderzoek van der begroting voor 1864 raadzaam geoordeeld alle mogelijke
bezuiniging in het werk te stellen te einde de inkomsten met de uitgaven op een
gelijkdragende lijn te brengen.
Aangezien de gemeente alhier door vertrek van verscheidene leden als andersinds
aanmerkelijk met hare inkomsten zijn verminderd, dientengevolge is het raadzaam
geoordeeld de jaarlijkse uitkering ten behoeve de Kolonie van Weldadigheid mede
te verminderen en daarom beraamd en beschikbaar gesteld in plaats van f. 5,—
jaarlijks f. 2,50 over welk bedrag in 1864 kan worden gedisponeerd. S. v.d. Berg,
voorzitter; J. v. Leer, secretaris.”