Naar
HomePage




 


   Herkomstvan de joden in Oud-Beijerland

In Nederland onderscheiden we twee groepen joden.
Er is een Portugese groep, die uit Spanje en Portugal afkomstig is.
Deze joden werden door Alva na de verovering van Portugal uit die landen
verdreven. Zij vluchtten naar Antwerpen. Na de inneming van die stad door
de Spanjaarden, gingen zij naar Amsterdam.

Er is ook een Duits-Poolse groep, die na de vervolgingen in Frankfurt na
1741 moest verhuizen. Ook vertrokken veel joden uit Rusland en Polen door
de pogroms of vervolgingen naar het westen.



De joden uit Oud-Beijerland waren uit deze groep afkomstig. Zij stonden
onder de Hoogduitse lsraelitische Hoofdcommissie in Amsterdam en
behoorden tot het ressort Rotterdam. Het bewijs dat ze tot de
Duits-Poolse groep behoorden, was gemakkelijk te leveren.

Er was een tiental families waarvan de afstamming bekend was.
Zo bleek onder meer dat Abraham den Hartog was geboren in Sleuningen
in Pruisen. Zijn vrouw, met wie hij in 1796 trouwde, was afkomstig uit Koblenz.
Philip Hartog werd in Poesenthal bij Hessen-Darmstad geboren.
Marcus van Win kwam uit een klein plaatsje bij Frankfurt. Sara Philips was
uit Selz in Silezie gevlucht.

Uit de lijst van huwelijken uit het begin van 1800 bleek, dater veel
contacten waren met het zuiden en oosten van ons land. Daar hadden de eerste
vluchtelingen uit Polen en Zuid-Duitsland een woonplaats gevonden.
Er waren nog andere bewijzen aan te voeren. Allereerst de schrijfwijze van
de namen, die afweek van de manier, waarop men in joodse kringen gewoon
was om namen te spellen.
De joden uit Oud-Beijerland schreven bij voorbeeld Joum Kippoer naast
Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Geiro naast Gevre (stichting), Loelof naast
Lulof (palmtak), Fronica naast Veronica, Francina of Vrouwtje.
De joden uit Oud-Beijerland wisten terdege, dat zij zich moeiijk in het
Nederlands uitdrukten. Daarom werd de correspondentie met de Hoofdcommissie
op 17 april 1817 opgedragen aan de godsdienstonderwijzer J. Koppels, die dit
jaren heeft gedaan.

Bij Koninklijk Besluit van 6 mei 1817 werd de gewoonte om het verbasterde
Hoogduits te onderwijzen afgeschaft, opdat de kinderen meer beschaving
zouden leren. Het onderwijs mocht alleen in het Nederlands worden gegeven
en met in het Hebreeuws of Duits-joods. Wel waren er enkele specifiek
godsdienstige vakken, die in het Hebreeuws werden gegeven, maar in het
algemeen was de voertaal op school het Nederlands.

De invloed van de Poolse afkomst van enige joden bleek uit een brief van
1 juli 1817 aan de Hoofdcommissie, waarin ouderling S. v.d. Berg uit
Nieuw-Beijerland klaagde, dat er een Poolse Israëliet benoemd was tot
onderwijzer door de heren S. Goudsmit en P. Koopman.
Die hadden dit geheel buiten medeweten van de andere leden van de synagoge
gedaan. Het bleek later, dat deze Pool niet geliefd was. In enkele maanden
liep het aantal leerlingen op school sterk terug. De man kon zich alleen in
verbasterd Duits uitdrukken, wat door de Joodse gemeente niet werd
gewaardeerd. S. v.d. Berg klaagde er ook over, dat men aan deze Pool weinig had,
omdat hij door de Opperrabbijn van Rotterdam onbevoegd was verklaard om
als beestensnijder of Sjochet op te treden. Men kon dus niet ‘kauscher” slachten,
iets waaraan de joden sterk hechtten. Daarom moest men een Sjochet uit Rotterdam
halen. Bovendien waren er meer sollicitanten en was de benoeming niet noodzakelijk.
Gelukkig voor de opvoeding van de kinderen verdween deze onderwijzer al gauw.

De vraag wanneer de eerste joden zich in Oud-Beijerland hadden gevestigd,
was niet gemakkelijk te beantwoorden. Van der Aa, die in zijn Aardrijkskundige
woordenboek alle plaatsen in Nederland in 1846 beschreef, meende dat dit in het
midden van de achttiende eeuw was geweest, maar de bewijzen ontbraken.
De eerst aangekomen joden hadden blijkbaar onvoldoende middelen om een
woning te kopen, want in de akten van overdracht na 1748 kwamen geen joodse
namen voor. De eersten zullen wel een woning hebben gehuurd en langzaam aan
hebben ook anderen zich bij hen gevoegd. Waren de eerste joden slager of
handelaar, die met hun mars op stap gingen? Dat is niet meer na te gaan.
Uit sommige beroepen, die joden later uitoefenden, zou men dit wel
kunnen afleiden. De meesten werden in de bevolkingsboekhouding met koopman
aangeduid. Maar of ze als “kastjesman” de boer opgingen, is niet gebleken.