Naar
HomePage




 

De Gevre of Gevrah

(Het woord Gevre betekent Begrafenisonderneming)

In 1832 keurde het Ministerie voor de zaken van de Eredienst het goed dat de joodse gemeenschap
in Oud-Beijerland ten behoeve van de kerkelijke gemeente een huis kocht, grenzend aan de synagoge.
Al drie jaar eerder was daartoe gelegenheid geweest, maar door grilligheid van 10 leden was dat
aanbod toen afgewezen.
In 1832 kwam er echter een nieuw kerkbestuur en dat had de plannen met voortvarendheid weer ter
hand genomen. Nu keurde de joodse gemeente het plan wel goed. Het was dan ook noodzakelijk dat
men over een apart gebouw voor allerlei doeleinden beschikte.

Waarom was dat zo noodzakelijk? Voor die tijd werden de lijken van mensen van buiten Oud-Beijerland,
die op het kerkhof daar moesten worden begraven, naar het huis van de koster S. Goudsmit gebracht.
In dat huis waren echter maar twee kamers, waarvan de ene als godsdienstig badlokaal werd gebruikt
en de andere als vergaderkamer. In deze vergaderkamer werd het lijk dan neergezet. Dat was zeer
ongewenst, vooral ais er iemand aan een besmettelijke ziekte was overleden. Bovendien woonden (!)
de koster met zijn vrouw en zes kinderen daarin. Het nieuwe kerkbestuur besloot aan die ongewenste
toestand een einde te maken. In die tijd was er al sprake van de stichting van een godsdienstige joodse
school. Het nieuwe gebouw
zou daarvoor kunnen dienen.

                    
     vooraanzicht     
   
 
Om het een en ander te kunnen verwezenlijken, ging men over tot oprichting van een
pieus gesticht (dat is een stichting met een godvruchtig doel), met de naam Eits Gajiem. 

Alle leden stemden voor, behalve de koster en zijn vrouw. Zijn vier stemgerechtigde
kinderen stemden echter wel voor. De koster en zijn vrouw wilden ook geen lid
worden van de Gevre, hoewel dat slechts 5 cent per week aan contributie kostte.

  zijaanzicht


In de onderstaande plattegrond is de locatie van de gebouwen zichtbaar.



Nadat alles gereed was gemaakt, ontstonden de moeilijkheden.
Op zeker ogenblik werd een lijk van buiten Oud-Beijerland gebracht om op de joodse
begraafplaats te worden begraven. De regent van het pieus gesticht verzocht de kostersvrouw vriendelijk
zich te onthouden van wat ieder als plicht tegenover een dode beschouwde: het vervaardigen van het
doodskleed; zij was immers geen lid van de Gevre.
Zij ging toch helpen, zodat de regent van de Gevre het haar moest verbieden. Boos liep ze uit het
gebouw weg; haar man diende daarna een klacht in hij de Hoofdcommissie.
Het kerkbestuur verdedigde zich uitvoerig. De koster en zijn vrouw werden in het ongelijk gesteld.
Ze besloten nu ook lid te worden van de Gevre.
De geringe contributie bleek te laag te zijn om de Gevre in stand te houden. In overleg met het
bestuur werd besloten in de synagoge op maandag en donderdag een collecte voor de Gevre te houden.
Toch hielp dit weinig, zodat er zelfs al in 1843 sprake was van de opheffing van de stichting.
Na verloop van tijd ontstonden er weer verwikkelingen waardoor het Israëlitisch Kerkbestuur zich
genoodzaakt zag op te treden.
Uit een brief van 16 juli 1863 aan het Israëlitisch Hoofdbestuur bleek dat bet Israëlitisch
Kerkbestuur zich in bet belang van de goede orde genoodzaakt zag procesverbaal op te
maken tegen Mozes Hijmans, Hartog Hijmans en Jacob Hijmans, die zich per brief van
30 december 1861 van de gemeente hadden afgescheiden. Zij hadden zich echter bij gelegenheid
van een begrafenis achter het lijk begeven en op de begraafplaats hadden ze alle ceremoniën
waargenomen. Het kerkbestuur had hen schriftelijk gewaarschuwd in het vervolg geen ceremoniën
meer bij te wonen en er aan toegevoegd dat zij niet meer werden toegelaten op de begraafplaats.
Op 30 juni 1865 overleed hun zuster. Bij de teraardebestelling bad de koster in opdracht van
het kerkbestuur de beklaagden mondeling gewaarschuwd om zich van alle ceremoniën te onthouden
en niet op de begraafplaats te komen. Zij stoorden zich echter nergens aan.
Aan de poort van de begraafplaats had de politie hen gelast weg te
blijven.
Ook da
araan gaven zij geen gehoor en zij kwamen er toch op. Daarop werd een klacht ingediend
bij de officier van justitie in Dordrecht.

Aan het Hoofdbestuur werden de volgende vragen gesteld:
1. Zijn er termen aanwezig om een bezoek aan de begraafplaats strafbaar te stellen,
   daar de begraafplaats eigendom is van de Israëlitische gemeente?
2. Heeft het kerkbestuur het recht om afgescheidenen door de politie of de koster te laten weren?

Het antwoord van het Hoofdbestuur luidde dat de Kantonrechter in OudBeijerland het recht
had afgescheidenen
te weigeren, desnoods door het inroepen van de hulp van de politie.
Van het
doel om het gebouw tevens te gebruiken voor de bestudering van de godsdienstige
boeken en om het avondgebed er in te houden, was in al die jaren weinig terecht gekomen.
V
eel leden bedankten daarom. Wel wilde men tegen betaling gebruik blijven maken van het
godsdienstig bad. Na veel geschrijf en gewrijf werd de zaak toch opgelost.
Er werd
een bijgebouw gezet op het terrein aan de Kerkstraatzijde, rechts van de ingang
naar de synagoge. Links stond de kosterswoning.


Op de achtergrond is het eerder genoemde gebouw te zien
met de zuilen aan de linkerzijde van de foto.