Naar
HomePage



 


Het schild van David
Uit "Documentatie Nederland en de tweede wereldoorlog. Nr 13 met als titel De Februaristaking"

Naar een totaal isolement

Uiterlijke onderscheidingstekens speelden al voor de oorlog een grote rol. Met veel
gevoel voor symboliek werden uniformen en vlaggen bedacht. Vooral de NSB blonk
daarin uit. De herkenbaarheid was niet alleen een zaak voor de ‘kameraden'.
Ook de ‘vijand' moest opvallen. Zo kon hij beter in de gaten gehouden worden en
viel hij gemakkelijker te bestrijden. De vijand bij uitstek, voor de nationaal-socialisten,
was de jood.
Om hem zichtbaar te maken grepen de Duitsers terug op
onderscheidingstekens, die al sinds de middeleeuwen werden gebruikt om joden te
stigmatiseren.
Het belangrijkste teken was de David-ster, door joodse rabbijnen
‘Mogen David' genoemd: het schild van David. Maar dat symbool, dat ook door de
zionisten vol trots in hun vaandel werd gezet, trok het kwaad eerder aan dan het
af te weren.

Tot in de l8de eeuw was het in veel Europese landen verplicht om als jood een
onderscheidingsteken te dragen.
De Duitsers herstelden die traditie in de 2Oste
eeuw. Die twijfelachtige ‘eer' kwam de plaatselijke Duitse bezettingsautoriteiten
in Polen toe.
Op een idee gebracht, besloot Gouverneur-Generaal Hans Frank tot
de invoering van een uniform onderscheidingsteken voor alle Joden in Polen.
Vanaf 23 november 1939 werden zij verplicht om aan de rechterarm van de
bovenkleding een onderscheidingsteken te dragen.
Het voorbeeld vond navolging.
Op 1 september 1941 ging de maatregel ook gelden voor Duitsland, Oostenrijk
en het Reichsprotektorat Bohemen en Moravie. Alle Joden vanaf zes jaar werden
verplicht tot het dragen van ‘een zespuntige ster, zo groot als een handpalm,
vervaardigd van gele stof, welke op de linkerborstzijde gedragen moet worden'.



Op 29 april 1942 moest ook Nederland eraan geloven. De invoering van de
Jodenster beschouwden de Duitsers als een wezenlijk onderdeel van de
voorbereidingen op de deportaties. ledere jood, die zich buitenshuis
vertoonde, diende onmiddellijk herkenbaar te zijn; hij bezat toen al een
persoonsbewijs met een J erin. Zo werd in combinatie met het verbod om
zich in parken, bioscopen en openbaar vervoer op te houden, de
bewegingsvrijheid nog sterker ingeperkt. De invoering werd als een overval
gepland. Er zaten drie dagen tussen de afkondiging van de maatregel en
de daadwerkelijke ingang op zondag 3 mei.
In die tijd moesten de Jodensterren
door het hele land worden gedistribueerd.
In totaal waren dat er 569.355
(vier per persoon).
De sterren waren in Poolse ghetto's gefabriceerd en van
daaruit naar de ZentralstellefurjudischeAuswanderung in Amsterdam gebracht.
Daar vernamen de leiders van de Joodsche Raad, Cohen en Asscher, van de
invoering.
En ook dat de Raad zelf werd belast met de distributie van de ruim
half miljoen sterren.
Asscher en Cohen waren sprakeloos. Toen verklaarden ze
dat, hoewel dit geen aangename mededeling was voor de joden, zij persoonhijk
trots waren om de ster te dragen omdat ze daarmee ‘ereburgers van Nederland'
werden.

                   

De Raad slaagde erin om na drie dagen keihard werken de sterren over het land
te verspreiden.Tegen inlevering van een textielpunt en vier cent per ster werden
vanuit centrale punten de gele lapjes stofverkocht.
De invoering van de Jodenster werd door de officiële pers toegejuicht, met de
NSB-kranten natuurlijk voorop. De gelegenheid werd aangegrepen voor fel
antisemitische beschouwingen die de maatregel moesten rechtvaardigen. Zoals
door De Residentiebode, die op 13 mei schreef dat nu pas goed duidelijk werd
welk belang de ‘raskwestie' had: ‘Waarlijk, sterren zijn op straat even talrijk
als boterbloemen in een Meiwei'. Vervolgens werden de anti-joodse registers
volledig opengetrokken, verder nog dan DeTelegraaf, die omgang met joden
beschreef als ‘heulen met de vijand'. Maar uit diezelfde - en andere kranten -
viel ook al op te maken dat niet iedereen met de maatregelen instemde. Er
werden voorbeelden genoemd van heren die voor een Jodenster de hoed afnamen.
Anderen stonden in trams, treinen of bussen demonstratief hun zitplaatsen af
aan joden. ‘Jonge Nederlandse meisjes lopen uitdagend met jodenknapen te
flaneren, Nederlandse jongens lopen gearmd met jodinnen', meldden enkele
kranten verontwaardigd. Die ‘Jodenliefde' werd door de nazi-pers met
afschuw en onder het uiten van dreigementen beschreven.
Sommige Nederlanders
tooiden zich met de Jodenster als teken van solidariteit.
Het blad Storm-SS
meldde hoe bij twee Wageningse drukkerijen van christelijke huize, Drukkerij
Vada en de firma Veenman en Zonen, het personeel zich onder het werk met
een Jodenster tooide.

  

Eén van de initiatiefnemers, de reclametekenaar Overbeek (‘deze vlerk' schreef
Storm-SS), had het zelfs gewaagd om ‘met een Jodenster getooid door de stad te fietsen'.

In Utrecht werd een ambtenaar van Maatschappelijk Hulpbetoon ontslagen ‘wegens
een politieke demonstratie'. Hij had op 4 mei op kantoor een Jodenster gedragen.
Een ‘collega' had hem daarna aangegeven. Weer andere mensen droegen
zelfvervaardigde Jodensterren met daarop bet woord ‘protestant' of ‘katholiek'.
Ook gebeurde het dat joden hun ster niet droegen of slechts bevestigden met
een speld. ‘Jodenster verdween in tas' berichtte Het Nationale Dagblad in juni
1942 boos. Kort daarna beklaagde deze NSB-krant zich opnieuw.
‘De ster wordt
op de revers of op een los bontkraagje genaaid of aan een of twee puntjes met
drukknoopjes bevestigd (...)
Ook is de ster soms zo opgenaaid, dat hij half of driekwart
onder de revers zit of onder de mouw'. Het blad kon gerust zijn, want al gauw
benadrukten de bezetters dat wie de Jodenster niet vastgenaaid had, ter
verantwoording zou worden geroepen. Vasthechten met spelden of gedeeltelijk
opnaaien was uit den boze. Ook protesten uit de illegaliteit klonken op.
Strooibiljetten werden verspreid met de tekst ‘jood en niet-jood één'.
Leden van de groep van het illegale blad DeVonk wierpen grote aantallen van
het dak van De Bijenkorf in Amsterdam. Het ondergrondse blad Het Parool
noemde de Jodenster ‘een slag in bet gezicht van het gehele Nederlandse volk'.
Maar tegelijkertijd laakte het blad ook ‘de angstmentaliteit en de al te grote
buigzaamheid' van de Joodsche Raad. Die had zich niet willen verzetten tegen
de stigmatisering. Zo kwam door de invoering van de Jodenster de Endlosung
een stap naderbij.

Uit "Documentatie Nederland en de tweede wereldoorlog. Nr 13 met als titel De Februaristaking"
Uitgerverij Waanders Uitgevers in samenwerking met het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
ISBN 90-6630-913-x blz 313